Ik zoek een huisLooking for a place to live

Unità 6Livello A1Blocco 1 · AankomstIl suono di questa unità: g/ch en ui

Che cosa insegna questa unità

I quattro verbi modali

kunnen, moeten, willen, mogen — quattro verbi, una regola: il secondo verbo va alla fine. Impara le quattro forme come un blocco, rappresentano metà del parlato quotidiano.

kunnen  kan  kunt  kan  kunnen
moeten  moet moet moet moeten
willen  wil  wilt wil  willen
mogen   mag  mag  mag  mogen

Aggettivo davanti al sostantivo

L'aggettivo prende -e quasi sempre: de grote kamer, een grote kamer. L'unica eccezione è een + un het-word: een groot huis, senza -e.

de grote kamer
het grote huis
een groot huis
een grote kamer

er is / er zijn

Usa er is / er zijn per dire che qualcosa esiste: Er is een tuin. Er zijn twee slaapkamers. È il modo normale per descrivere una casa o un reparto.

Er is een tuin.
Er zijn twee slaapkamers.
Er zijn vier personen.
Is er een tuin?
Er is geen tuin.

Dal testo

Ik wil in Nederland werken. Maar waar wonen wij?

Voglio lavorare nei Paesi Bassi. Ma dove vivremo?

Lessico dell'unità (46 parole)

OlandeseSignificato
het huiscasa
het appartementappartamento
de kamerstanza
de slaapkamercamera da letto
de woonkamersoggiorno
de keukencucina
de badkamerbagno
de tuingiardino
het balkonbalcone
de eigenaarproprietario
de buurtquartiere
de persoonpersona
de huuraffitto
hurenaffittare
te huurin affitto
de prijsprezzo
de euroeuro
per maandal mese
de maandmese
duurcostoso
goedkoopeconomico
kostencostare
willenvolere
mogenpotere (permesso)
bellentelefonare
zienvedere
kijken naarguardare
stellenporre (una domanda)
zoekencercare
er is / er zijnc'è / ci sono
dichtbijvicino
verlontano
weinigpochi
genoegabbastanza
een paaralcuni
natuurlijknaturalmente
wanneerquando
waaromperché
hoecome
de vraagdomanda
het antwoordrisposta
lichtluminoso
donkerscuro
tetroppo
hoeveelquanto
vrijlibero

La prima unità è gratuita, senza account.

Apri il corso
← Unità precedenteUnità successiva →