Wie is wie op de afdelingWho is who on the ward

Unit 9Level A1Block 2 · De kliniekSound of this unit: ui · ij/ei · ou

What this unit teaches

The perfect tense, in full

Two things happen at once: the auxiliary takes second place, the participle goes to the very end. Verbs of movement and change — gaan, komen, blijven — take ben, everything else takes heb.

Ik heb mijn pasje gekregen.
Ik ben naar de koffiekamer gegaan.
gaan · komen · blijven → ben
✗ Ik heb gegaan naar de koffiekamer.

Fifteen irregular participles

These fifteen cover most of what you say in a day, so learn them as whole words, not as a rule. Two of them have no ge- at all: verbs starting with be-, ge-, ont-, ver- never take it — begrepen, onthouden.

zien → gezien        spreken → gesproken
gaan → gegaan        nemen  → genomen
komen → gekomen      vinden → gevonden
blijven → gebleven   drinken → gedronken
staan → gestaan      eten   → gegeten
zitten → gezeten     krijgen → gekregen
kijken → gekeken     lopen  → gelopen
begrijpen → begrepen
onthouden → onthouden

Separable verbs in the perfect

In the perfect the separable verb comes back together — and ge- lands inside it: kennis + ge + maakt. Never in front: gekennismaakt does not exist.

kennismaken  → Ik heb met het team kennisgemaakt.
voorstellen  → Sanne heeft mij voorgesteld.
binnenkomen  → Ik ben om acht uur binnengekomen.
✗ Ik heb gekennismaakt.

From the text

Vandaag is mijn eerste dag op de afdeling.

Today is my first day on the ward.

Vocabulary in this unit (39 words)

DutchMeaning
de supervisorsupervisor
de arts-assistentresident / junior doctor
AIOSdoctor in specialist training
ANIOSdoctor not in specialist training
de coassistentclinical student
de specialistconsultant, specialist
het afdelingshoofdhead of department
de secretaressesecretary
de fysiotherapeutphysiotherapist
de SEHA&E, emergency department
de polioutpatient clinic
de OKoperating theatre
de apotheekpharmacy
de gangcorridor
de liftlift, elevator
de verdiepingfloor, storey
de ingangentrance
de koffiekamerstaff coffee room
de kastlocker, cupboard
de sleutelkey
het pasjebadge, access card
de naamname
kennento know (a person)
kennismakento get acquainted
voorstellento introduce
binnenkomento come in
lopento walk
laten ziento show
horento hear
onthoudento remember, retain
welkomwelcome
iedereeneveryone
niemandnobody
nietsnothing
tochstill, yet, after all
moetired
nieuwnew
eerstefirst
tweedesecond

The first unit is free — no account needed.

Open the course
Next unit →